Ze zou al dik in de 100 zijn geweest als ze nog had geleefd, mijn allerliefste, eigenwijze, slimme en unieke oma. Die aan de wieg van mijn journalistieke loopbaan stond. Ze rookte, danste, dronk, bakte de lekkerste pannenkoeken en als ik bij haar logeerde mocht ik ‘s morgens bij haar in bed beschuit met suiker eten. ‘Zo’ zei ze terwijl ze het bordje op mijn schoot en mijn kopje thee op het nachtkastje zette, ‘laten we het leven even doornemen.’ De suiker die smolt op mijn tong was net zo zoet als de aandacht van mijn oma. 

Lief en koelbloedig

Mijn oma leerde me dat je maar weinig nodig hebt voor een leuk en fijn leven. Ze zette de stoelen aan de kant en leerde me de charleston dansen en tekende met krijt een tienmeter lange hinkelbaan op de straat. Ze was de eerste die ik kende die haar afval scheidde en kookte op mijn verjaardag voor de hele goegemeente kippensoep die berucht was. Buurtkinderen stonden ervoor in de rij. Ik vond haar ook enorm koelbloedig. Ze bleef altijd kalm. Die keer dat ik een kraaltje diep in mijn neus had geduwd en de dokter zei dat dat er operatief uit moest worden gehaald, haalde zij met één haal van haar breipen die kraal er zo weer uit. En gaf me vervolgens het bolletje katoen waar zij mee aan het breien was tegen het bloeden. Toen mijn broer op zijn verjaardag door de ruit van een voordeur viel en met vijf gutsende snijwonden binnen kwam rennen en iedereen paniekerig heen en weer rende, verbond zij hem met een theedoek waar ze net de afwas mee had gedaan – ‘het bloedt, dus het kan ook niet infecteren’ – en een plastic zak en stuurde mijn ouders met hem naar ziekenhuis. Daarna schonk ze de verjaardagsvisite een borrel in tegen de schrik.

Lesje journalistiek

Mijn oma was een voorbeeld voor velen, zo ook voor mij. Ze stimuleerde me om mijn hart te volgen. Waar mijn ouders het minder leuk vonden dat ik niet meteen ging studeren, maar ging reizen, zei mijn oma tegen hen: ‘Laat dat kind toch gaan, is juist goed voor haar’. En toen ik een jaar in Parijs ging wonen was zij de eerste die zei: ‘Leuk, moet je doen!’ Waar ter wereld ik ook was, bij elke poste restante lag een brief van haar. Geschreven in haar keurige schuine handschrift met hier en daar een oud-Nederlands woord. En ik schreef terug. Kantjes vol. Al mijn brieven bewaarde ze. Nadat ik was uitgeraasd en de wereld had gezien  en geen idee had wat ik met mijn leven moest gaan doen legde ze de stapel brieven op tafel en zei: ‘Ik las niet alleen de woorden, maar was bij je, stond naast je. Ik kon me voorstellen hoe het er uitzag, hoe het voelde, hoe het rook. Je moet wat met dat schrijven gaan doen.’ En zo geschiedde.

Ik denk nog vaak terug aan die ochtenden beschuitetend bij haar in bed. Mijn oma vroeg, luisterde, vroeg verder, luisterde nog meer. Het waren niet alleen bijzondere en intieme gesprekken, het waren ook mijn eerste lessen journalistiek.